Boeken schrijven, hoe kom je daar nou op?

Ik begon met schrijven toen ik al heel jong was. Ik ben geboren en opgegroeid in Amsterdam. Mijn beide ouders werkten. Er was nog maar heel beperkt televisie en een computer bestond nog niet. Onze belangrijkste speelkameraad was onze eigen fantasie. Ik schreef vaak in een schriftje en maakte in de kantlijn tekeningen als ik even moest nadenken. Dat doe ik nog steeds. De verhalen van vroeger heb ik niet bewaard. Best wel jammer. Wel nog één kort verhaal dat ik geschreven heb toen ik een jaar of twintig was.

Als kind las ik heel veel. We woonden in Amsterdam Oost waar in dezelfde straat een buurtbibliotheek was. We lazen de boeken van Enid Blyton, de vijf. Verhalen over een groep jonge kinderen die in Engeland spannende avonturen beleefden. Ik zat echt op het puntje van mijn stoel.
Van mijn moeder kregen we de belangstelling voor fantasieverhalen mee. De oude boeken van Edgar Rice Burroughs bijvoorbeeld. Dit zijn de boeken over Tarzan. Niet kinderachtig geschreven, nee bloedstollende verhalen over een leven in de jungle van Afrika. Met ongure types die de schatten van het land wilden roven.
Later ging mijn belangstelling, mede dankzij mijn zus, over naar sciencefiction. Honderden boeken over reizen door de ruimte heb ik gelezen. Al die technische snufjes waren interessant, maar interessanter waren al die vreemde volkeren. Lees de boeken van Jack Vance maar eens, bijvoorbeeld De waanzinnige planeet Tschai. Maar ook andere bekende schrijvers die sciencefiction mengden met verhalen over vreemde buitenaardse steden vol met vreemde rituelen en gewoonten. Daarna kregen fantasieverhalen de overhand.
O.a. boeken van Edgar Allan Poe, Jules Verne en natuurlijk J.R.R. Tolkien , oude meesters die in hun tijd al bijzondere verhalen schreven. De boeken van deze meesters sieren mijn boekenkast, evenals boeken van: Tad Williams, Weis en Hickman, Robert Jordan, Deborah Chester en natuurlijk Robin Hobb.

Van vroeger is de liefde voor boeken en het schrijven van verhalen overgebleven, samen met het gebruik van een schriftje. Een nieuw schriftje dat wel.
Als ik onderweg ben met de trein of met de auto, dan heb ik altijd een schrift bij me. Thuis gebruik ik de computer. Als ik tijdens het schrijven moet nadenken over het vervolg of soms over de formulering van een zin, dan teken ik nog steeds op een velletje papier dat altijd wel ergens op mijn bureau ligt.

UA-36289607-1